|
Bridgen bij De Kruin |
|
BridgeUit Wikipedia, de vrije encyclopedieBridge is een kaartspel dat ook onder de noemer denksport geplaatst kan worden. In wedstrijdbridge (Engels: duplicate bridge) is bewust gestreefd naar het zoveel mogelijk uitschakelen van de factor 'geluk' als uitkomstbepalend. Het spel vereist concentratie, geheugen en logisch denken en goede samenwerking tussen partners. Bridgen bestaat uit twee delen, het bieden en het spelen. Het spel wordt gespeeld met 52 kaarten. Zij worden een voor een gedeeld, te beginnen bij de speler links van de gever, met de klok mee tot iedere speler 13 kaarten bezit. Het wordt gespeeld door vier personen. Iedere speler krijgt de naam van een windrichting: Noord, Oost, Zuid of West. Noord en Zuid spelen samen en vormen een partnerschap en ze spelen tegen Oost en West, die ook samenspelen en een partnerschap zijn. Het partnerschap kan ad hoc zijn, alleen voor deze wedstrijd, maar over het algemeen hebben bridgers vaste partners, die vaak jaren (soms vele tientallen jaren) samenspelen. De spelers zien elkaars kaarten niet. Een goed bridgepaar begrijpt en vertrouwt elkaar, zodat ze effectief kunnen bieden en tot een 'contract' komen. Na het bieden wordt gespeeld, waarbij ieder paar zo veel mogelijk slagen probeert te maken. GeschiedenisBridge wordt genoemd in documenten van vóór 1886. Rond 2007 spelen over de hele wereld meer dan 50 miljoen mensen bridge. Er zijn wereldkampioenschappen bridge in verschillende spelsoorten en er is een Olympiade. In Nederland zijn meer dan 100.000 mensen lid van de bridgebond. De Nederlandse Bridge Bond is, op de Amerikaanse na, de grootste bridgebond ter wereld. Er zijn meer dan 1000 clubs bij de bond aangesloten, maar er zijn ook veel gezelligheidsverenigingen die zelfstandig bridge beoefenen. Bridge werd toen vooral door de iets oudere mensen beoefend. Tegenwoordig doet ook steeds meer jeugd mee, zowel in Nederland en België als in de rest van de wereld. In 1993 won het Nederlandse herenteam de Bermuda Bowl, het wereldkampioenschap viertallenbridge. In 2000 behaalde het damesteam de Venice Cup, de vrouwelijke tegenhanger van de Bermuda Bowl. In 2005 won het Nederlands team de open Europese Kampioenschappen. In 2007 deden de dames hetzelfde. In 2007 wonnen de junioren (tot 25 jaar) ook de Europese titel. Het biedenHet spel draait om het totaal aantal slagen (niet punten, zoals bij klaverjassen), dat een spelerspaar verzamelt. Het spel begint met een biedronde, waarin iedere speler om beurten mag passen of een bieding mag doen. Met een bod geeft een speler aan hoe zijn 'hand' eruitziet en hoeveel slagen hij denkt te halen. De foto hiernaast toont links een bak met biedkaartjes. Men wil vermijden dat een speler door een bepaalde intonatie ongeoorloofde informatie aan zijn partner geeft. Daarom doet men de biedingen liever zwijgend door kaartjes op tafel te leggen. Dat heeft het extra voordeel dat men tijdens de bieding aan de neergelegde kaartjes kan nagaan hoe het biedverloop is geweest. Het is overigens heel goed mogelijk zonder biedkaartjes te spelen; voor een informele bridgeavond volstaan de gewone speelkaarten. De foto toont rechts de 13 speelkaarten die de speler bij de deling heeft ontvangen. Deze worden, in tegenstelling tot de foto, tijdens de bieding niet open op tafel gelegd. Biedt een speler een contract, dan doet hij dat door een aantal (minimum 1 en maximaal 7) en een speelsoort te noemen. De speelsoort is een troefkleur, maar kan ook sans atout of no trump (zonder troef) zijn. Daarna is de volgende speler aan de beurt om te bieden. Wil hij een contract bieden, dan moet hij hoger bieden, dat wil zeggen hetzelfde aantal met een hogere speelsoort, of een hoger aantal met een willekeurige speelsoort. De volgorde van de speelsoorten is reglementair vastgelegd en is, van laag naar hoog:
Het laagste bod is dus '1 klaveren'. Letterlijk genomen betekent dit dat de speler samen met zijn partner belooft ten minste 7 slagen (dit is net iets meer dan de helft van het maximaal mogelijke aantal slagen) te zullen maken, wanneer klaveren troef gemaakt wordt. Het bod blijft echter zelden op '1 klaveren' steken, maar wordt meestal opgevolgd door een hoger bod, hetzij van de tegenpartij, hetzij van de partner (of van allebei). Het bieden kan een aantal keren de tafel rond gaan. Een speler die in eerste instantie gepast heeft, mag zich naderhand alsnog in de bieding mengen. Een speler kan zijn beurt om te bieden voorbij laten gaan door 'pas' te zeggen. In plaats van 'pas' of een contract kan er ook gedoubleerd worden. De traditionele betekenis van 'doublet' is: "Ik denk dat de tegenstanders niet kunnen halen wat zij geboden hebben, en ik wil dat de puntentelling verzwaard wordt". Als er gedoubleerd wordt, kan er geredoubleerd worden. Dit betekent: "Wij halen wel wat wij geboden hebben, hoewel de tegenpartij denkt van niet, en ik maak de puntentelling nóg zwaarder.". Doubleren mag alleen als het laatste geboden contract een contract is van de tegenpartij dat nog niet gedoubleerd is. Redoubleren mag alleen, als het laatste geboden contract een contract is van de eigen partij, dat (door de tegenpartij) gedoubleerd is. Het bieden is afgelopen als er drie spelers na elkaar passen. Elke speler mag wel tenminste een bieding doen, dus als de eerste drie spelers direct passen komt de laatste speler nog wel aan de beurt. Wanneer ook hij past heet dat een 'rondpas' en is er geen speelronde. Het hoogste bod wordt het contract van het spel. Het paar dat dit contract heeft gesloten (de 'leider' en de 'blinde'), zal proberen zes slagen te maken plus het genoemde aantal. Is er '4 schoppen' geboden, dan moeten er, met schoppen als troef, dus tien slagen worden gemaakt. De tegenstanders ('verdedigers') zullen proberen te voorkomen dat dat lukt. UitspelenNa het bieden wordt het spel gespeeld of "uitgespeeld". De speler van het paar dat het bieden gewonnen heeft, die als eerste de kleur geboden heeft waarin gespeeld wordt, heet de leider. De tegenstander links van de leider begint de eerste slag; nadat deze "uitkomst" op tafel ligt, legt de partner van de leider, de "dummy", zijn kaarten op tafel, zodat ze voor alle spelers zichtbaar zijn. De leider bepaalt welke kaarten de blinde moet spelen. Na de eerste slag wordt elke volgende slag begonnen door de speler die de vorige slag gewonnen heeft. Wordt het contract gemaakt, dan ontvangt het paar dat "gespeeld" heeft (dat wil zeggen, de leider en zijn/haar partner), punten voor het geboden contract. Bovendien ontvangen ze punten voor de overslagen, dat zijn de extra slagen die boven het contract zijn gemaakt. Voor overslagen wordt hetzelfde gescoord als voor contractuele slagen. Overslagen tellen echter niet mee voor het contract. Puntenpremies worden berekend over het aantal gemaakte contractuele slagen. Als voorbeeld: het maken van tien slagen in een contract met schoppen als troef levert veel meer punten op dan het maken van een contract van negen schoppenslagen plus een overslag. Daarom is het bij het bieden van belang precies hoog genoeg te bieden, niet te hoog en niet te laag. Wordt het contract niet gemaakt, men zegt dan dat het contract down gaat, dan krijgen de verdedigers punten voor iedere downslag. Is het contract gedoubleerd of geredoubleerd, dan worden er meer punten genoteerd, volgens een vaste scoretabel. BiedconventiesHet is belangrijk dat een speler met zijn partner communiceert om duidelijk te maken wat hij wil en welke kaarten hij heeft. Het is echter niet geoorloofd te praten, te knipogen of op andere wijze informatie door te geven. Daarom maken de spelers, voordat de kaarten verdeeld worden, afspraken dat een bepaald bod of het bijspelen van een bepaalde kaart een boodschap inhoudt. Deze afspraken heten conventies, en het geheel van afspraken heet een biedsysteem. Om het bieden wat te vergemakkelijken worden punten toegekend aan de 4 hoogste kaarten om de sterkte van je hand enigszins te kunnen beoordelen. Men hanteert haast altijd deze telling:
Dit zijn dus geen punten die op het scoreformulier worden geschreven, ze dienen alleen om tijdens het bieden de sterkte te beoordelen. Men spreekt met de partner af dat men de bieding pas zal openen met een minimum aantal punten (bijvoorbeeld 12 of 13). Om te antwoorden op een openingsbod is een lager aantal punten mogelijk (meestal vanaf 7). Uiteraard zijn hierop veel uitzonderingen, maar het HCP-systeem (high card score) is in ieder geval een leidraad voor veel niet-professionele bridgers. Doet een speler een bod, dan is dat haast altijd een mededeling aan de partner. Opent een speler met 1H, dan betekent dat meestal: "Ik denk dat we wel 1H kunnen spelen." Het betekent ook: "Partner, ik heb minstens 12 punten, mijn langste kleur is harten en ik denk dat we wel 1H kunnen spelen. Kijk eens wat jij hebt en wat jij ervan vindt." Conventies mogen niet geheim zijn. Spelers maken hun biedsysteem aan hun tegenstanders bekend door hun systeemkaart te overhandigen. Daarnaast moeten de meeste conventionele biedingen worden gealerteerd en desgevraagd worden uitgelegd door de partner van de speler die het conventionele bod heeft gedaan. BiedsystemenBiedsystemen zijn erop gericht om a) uit te zoeken in welke kleur men moet spelen (heb je een "fit" in een kleur?) en b) of men een manche in handen heeft of niet. Als een manche gemaakt kan worden, loont het om hem te bieden; als dit niet het geval is, is het handig zo laag mogelijk af te stoppen. Bij een fit in harten of schoppen, speelt men meestal de manche in deze kleur; maar bij een fit in klaveren of ruiten is het vaak beter om zonder troef te spelen, want dan hoef je voor de manche maar 9 slagen te bieden en halen (3SA) in plaats van 11 (5K en 5R). Moderne biedsystemen voorzien ook in methodes om met zwakke handen (weinig hoge kaarten, maar wel speelkracht in bepaalde kleuren) aan het bieden mee te doen, om het de tegenpartij (met veel hoge kaarten in handen) lastig te maken. De hoop is dat ze dan niet in het juiste contract terechtkomen, of dat de eigen partij een goed redbod vindt. Zie voor meer informatie het hoofdartikel over dit onderwerp. BiedermeijerIn Nederland wordt Biedermeijer het meest gebruikt, een natuurlijk biedsysteem dat lijkt op SAYC maar ook leent van Acol. Biedermeijer wordt door de Nederlandse Bridge Bond gepropageerd en ondersteund. Biedermeijer is beschikbaar in drie moeilijkheidsgraden: Groen voor de beginnende bridger, Blauw voor de meer ervaren clubbridger en Rood voor de gevorderde competitiespelers. Voorbeelden van bekende biedconventiesStaymanEen bekende conventie is Stayman. Als er 1SA geopend wordt (15-17 punten) en partner biedt 2K, dan wil partner weten of openaar een vierkaart heeft in harten en/of schoppen. De openaar antwoordt 2R als hij die vierkaarten niet heeft, 2H als hij een vierkaart harten heeft, 2S als hij een vierkaart schoppen heeft en 2SA als hij beide vierkaarten heeft. In de Stayman Relay-conventie is het antwoordschema 2R met geen vierkaart harten en geen vierkaart schoppen, 2H met een vierkaart harten en misschien een vierkaart schoppen, 2S met geen vierkaart harten maar wel een vierkaart schoppen. In de Puppet Stayman-conventie is het antwoordschema 2R met een vierkaart harten en/of een vierkaart schoppen, 2H met een vijfkaart harten, 2S met een vijfkaart schoppen, 2SA met geen vierkaarten in harten of schoppen. Jacoby transferIndien een partner op een opening van 1SA het antwoord van 2R geeft, geeft dit aan de 1SA-openaar de opdracht om 2H (het naasthogere bod) te bieden. Analoog verplicht het antwoord van 2H de 1SA-openaar om 2S (het naasthogere bod) te bieden. Deze biedingen zijn dus een opdracht aan de partner: "Ik wil dat jij straks ... biedt, en dan beslis ik verder wel wat ik doe." Het antwoord van 2R belooft minimaal vijf harten; het antwoord van 2H belooft minimaal vijf schoppen. Omdat een transferbod mede gebruikt wordt om het koppel uit een onmaakbaar 1SA-contract te redden, kan het vanaf nul punten worden gedaan. Een voordeel van Jacoby transfer is dat de speler met de meeste punten als eerste de (waarschijnlijke) kleur waarin het contract gespeeld zal worden genoemd heeft. Het grotere voordeel is dat de antwoordende partij zijn hand nader kan omschrijven. Deze creëert namelijk een volgende biedronde daarvoor. BlackwoodZiet het ernaar uit dat er voldoende slagen zijn voor slem, dan is het belangrijk dat de tegenpartij niet eerst 2 slagen opraapt voordat jij er 12 hebt. Azen zijn daarom belangrijk. Met de Blackwood-conventie kun je dat opvragen. Het belang van azen vragen wordt door beginnende spelers vaak overschat. Er zijn nog wel andere methodes waarmee je de kans op slem kunt onderzoeken. Roman Keycard BlackwoodEen variant van Blackwood is Roman Keycard Blackwood. Hier gaat men uit van 5 keycards: 4 azen en troefheer. Het antwoordenschema na het 4SA-azenvragen kent 2 schema's: 1403 of 0314. 1403 houdt in, dat 5K 1 of 4 keycards betreft en 5R 0 of 3 keycards. 0314 houdt in, dat 5K 0 of 3 keycards betreft en 5R 1 of 4 keycards. Het antwoord 2H toont 2 azen zonder troefvrouw en 2S toont 2 azen met troefvrouw. Met de opvolgende kleur op het antwoord, waarbij de troefkleur overgeslagen wordt, kan naar de troefvrouw gevraagd worden. LackwoodIndien een kleur niet aanwezig is, kun je ook azen vragen zonder dat het aas in deze kleur meetelt. Deze conventie heet Lackwood. MuiderbergDe Muiderbergse twee-conventie is een variatie op de zwakke twee-opening en geeft bij een 2H- of 2S-opening een zwakke hand aan met precies een 5-kaart in de geboden kleur en een 4-kaart of meer in een van de lage kleuren. Het ontkent een 4-kaart in de andere hoge kleur. De conventie is genoemd naar de woonplaats van de bedenkers van de conventie, Onno Janssens en Willem Boegem. Ook in het buitenland wordt de conventie 'Muiderberg' genoemd. NiemeijerDe Niemeijer-conventie wordt in stelling gebracht na een sterke 2SA-opening. Kern ervan is het 3K-bod, dat vraagt naar het bezit van 4- of 5-kaarten in harten of schoppen. Het antwoordschema lijkt op dat van Puppet Stayman, maar is niet helemaal hetzelfde. In Niemeijer geeft een 3R-bod één of twee vierkaarten in een hoge kleur aan en een 3SA-bod geen vierkaarten in een hoge kleur, in Puppet Stayman wordt met beide handen 3R geantwoord. Checkback StaymanNa een 1SA herbieding van openaar is 2K conventioneel en vraagt om extra informatie. De 2K bieder is minstens inviterend en is op zoek naar een driekaart steun voor zijn hoge vijfkaart. Het spelenBridge is een slagenspel. Een slag is een ronde waarbij iedere speler een kaart speelt. Spelers moeten kleur bekennen, dat wil zeggen dat een bijgespeelde kaart van dezelfde kleur moet zijn als de eerste kaart van de slag, dat is de gevraagde kleur. Alleen als een speler de gevraagde kleur niet heeft, mag hij een willekeurige kaart bijspelen. Er mag dus alleen getroefd worden als de gevraagde kleur niet (meer) voorhanden is, maar troeven is niet verplicht. Heeft een speler de gevraagde kleur niet, dan heeft hij helemaal vrije keus. Een slag wordt gewonnen door de hoogste troefkaart, en als er geen troef in de slag is gespeeld door de hoogste kaart van de gevraagde kleur. De volgorde van de kaarten is van hoog naar laag: A H V B 10 9 8 7 6 5 4 3 2. Deze volgorde geldt ook voor de troefkleur. Nadat een slag is gemaakt, legt de speler die de slag won de eerste kaart van de volgende slag op tafel. In het bieden is het contract vastgesteld. De speler van het paar, die als eerste de speelsoort van het contract geboden heeft (klaveren, ruiten, harten, schoppen of zonder troef), wordt leider in het spel (in het Engels 'declarer', niet 'leader'). Zijn linkertegenstander ('leader') mag het spelen beginnen met de eerste kaart, de uitkomst. Vervolgens legt de partner van de leider zijn kaarten open op tafel, hij wordt dummy of blinde. De leider speelt zowel de kaarten uit zijn eigen hand als de kaarten van de dummy. De dummy is gedurende het spelen dus niet actief bij het spel betrokken, maar hij mag de kaarten hanteren en ingrijpen als er een overtreding wordt begaan. Tijdens het spelen is het bij bridge gebruikelijk, in tegenstelling tot andere slagenspelen, dat elke speler zijn eigen kaarten bij zich houdt. Als de slag geheel gespeeld is, pakt iedere speler zijn eigen kaart op en legt hij deze dicht voor zich neer. Afhankelijk van wie de slag heeft gewonnen, wordt de kaart horizontaal of verticaal neergelegd, zodat aan het eind van het spel aan de hand van het aantal horizontale en verticale kaarten vastgesteld kan worden hoeveel slagen elke partij gehaald heeft. Doordat de spelers hun kaarten bij zich houden, kan men achteraf nog precies zien hoe de kaarten verdeeld waren, wat het nakaarten makkelijk maakt. Bovendien kan men zo bij wedstrijden aan een andere tafel spelen met dezelfde kaartverdeling. Als de leider, samen met zijn partner, het aantal slagen heeft dat nodig is voor het behalen van zijn contract, heeft de leider het contract gehaald. De slagen die hij eventueel meer haalt, heten overslagen. Als de leider minder slagen haalt dan er geboden zijn, gaat hij down. Als de leider zijn contract haalt, krijgt zijn partij daar punten voor; als hij down gaat, krijgt de tegenpartij punten. SpeelconventiesNet als in het bieden, kunnen voor het tegenspelen afspraken worden gemaakt. Signaleren is toegestaan, mits het signaal wordt afgegeven door een bepaalde kaart te spelen. Speelconventies gelden alleen tussen de verdedigers, want de leider heeft er geen behoefte aan gegevens met zijn partner uit te wisselen. Net als bij het bieden zijn de afspraken die men maakt openbaar. De leider mag dus vragen wat de tegenspelers voor afspraken hebben, en hierop dient naar waarheid geantwoord te worden. Natuurlijk kan een speler niet altijd de kaart spelen, die hij zou willen. Hij moet de kaart wel hebben, en bovendien moet hij hem kunnen missen. Nu valt er in de praktijk in iedere slag wel een honneur, zodat de lagere kaarten tamelijk waardeloos zijn. Er wordt zelden een slag gemaakt met een 9, en dus is de 9 nauwelijks meer waard dan een 2. Een speler kan dus signaleren door een hoge kaart (bijvoorbeeld 7, 8 of 9) te spelen of een lage kaart (2, 3 of 4). Wordt er een 5 of 6 gespeeld, dan zal de partner moeten bedenken of dat een lage of hoge kaart is. Zijn de 2, 3, 4 en 5 al gespeeld, of liggen ze in de dummy, dan is de 6 een lage kaart. Opeenvolgende kaarten zijn volkomen gelijkwaardig. Is de 10 al gespeeld, dan maakt het voor het eindresultaat niet uit of hij de vrouw, boer of negen speelt. Hij kan ze dus goed gebruiken om te signaleren. Komt een speler met een kaart uit, dan betekent dat vaak dat hij de naasthogere kaart niet heeft. Als partner een kleur aanspeelt, wordt vaak de zogenaamde attitude aangegeven. Dit wil zeggen, een speler geeft aan of hij een kleur graag doorgespeeld wil zien (omdat hij er hoge kaarten in heeft, of omdat hij ze kan introeven) of niet. Veel voorkomende systemen zijn:
Als de leider een kleur speelt, worden de signalen vaker gebruikt om de distributie aan te geven - een even of oneven aantal kaarten in de kleur. Dit is vooral van belang als de leider een lange kleur uit de dummy probeert vrij te spelen, terwijl de dummy geen of weinig entrees heeft. LavinthalEen voorbeeld van een speelconventie is Lavinthal waarin preferentie voor een kleur wordt aangegeven. Bij een discard, toont een lage kaart interesse in de laagst overgebleven niet-troef kleur, een hoge kaart toont interesse in de hoogst overgebleven niet-troef kleur. In het geval dat u uw partner een introever gaat geven, geeft de hoogte van de gespeelde kaart dezelfde informatie als een discard, met als doel u een snelle entree te geven om uw partner opnieuw een introever te geven. RevolvingGeeft hetzelfde als Lavinthal, er zijn twee mogelijkheden om een kleur aan te geven. Laag toont interesse in de kleur direct eronder (behalve troef): een lage klaveren vraagt om schoppen. Dus een ruiten 2 zegt dat je een sterke hand hebt in klaveren. Een hoge kaart toont interesse in de kleur direct daar boven, een hoge schoppen vraagt om klaveren. Dus een lage harten en een hoge klaveren tonen beiden interesse in ruiten. TroefechoEen troefecho is een signaal dat gespeeld wordt als de leider de troeven uitspeelt. Als men de troefecho speelt, wordt in dit geval van een driekaart troef waarbij men aftroefmogelijkheden heeft, eerst de middelste (of zelfs de hoogste) kaart gespeeld. Als partner vervolgens aan slag komt voordat alle troeven bij de troefecho-speler op zijn, kan deze proberen de singleton of renonce van die speler te vinden en zo een introever te geven. SpelregelsDe spelregels van het bridge zijn op wereldniveau vastgesteld en gelden in principe over de hele wereld. Er zijn overkoepelende organisaties (WBF=World Bridge Federation, NBB=Nederlandse Bridge Bond), die de regels van het spel bewaken en handhaven. Officiële wedstrijden worden geleid door een arbiter, die volgens een boekje waarin de regels opgeschreven staan, handelt wanneer onregelmatigheden geconstateerd worden. Er zijn vaste procedures voor wat er moet gebeuren, als iemand verzaakt, een kaart voor iedereen zichtbaar laat vallen enz. Ook zijn er "ethische" regels, ten aanzien van het informatie verstrekken anders dan door biedingen te doen en kaarten te spelen (het al genoemde woord en gebaar). De spelregels zijn voor het laatst gewijzigd in 2007.[1] WedstrijdvormenBridge wordt op verschillende manieren gespeeld. De oorspronkelijke vorm (robberbridge) wordt gespeeld door vier personen, die voor ieder nieuw spel de kaarten wassen (schudden). Bij bridgeclubs is dat vrijwel geheel verdrongen door paren-bridge, waar spellen kaarten van tevoren geschud en gedeeld worden en in kaarthouders geplaatst worden. Er is dan een roulatiesysteem waarbij een aantal paren dezelfde spellen spelen. De puntentelling is anders in dat geval, omdat er gekeken wordt naar wie de hoogste score uit een bepaald spel gehaald heeft. Het toevalselement wordt op die manier minder belangrijk, de kunst is om het met dezelfde kaarten beter te doen dan andere spelers. De gebruikelijke tellingen bij wedstrijdbridge zijn de volgende:
Voor sterkere spelers maakt het uit of ze een parenwedstrijd of een viertallenwedstrijd spelen. In een parenwedstrijd zijn alle spellen van gelijk belang, en kan elk puntje belangrijk zijn, in een viertallenwedstrijd zijn het vooral de 'grote' spellen die de score bepalen. In viertallen zal men (vanwege de relatief hoge manchepremie) sneller de manche bieden, ook als die niet helemaal 50% kans heeft. Wat betreft het af- en tegenspel zal men in viertallen 'op safe spelen', het belangrijkste hier is het contract te halen of down te spelen. Een leider zal de grootste kans op maken nemen, ook als deze minder overslagen oplevert als het goed gaat, of meer downslagen als het fout gaat. Bij paren kan daarentegen elke slag de beslissende zijn. Puntentelling en biedaanpakEerst een begrip: fit je hebt een fit in een kleur, als je als partnerschap (dus in de gezamenlijke handen) 8 of meer kaarten van deze kleur bezit. Als vuistregel speelt troef prima, als je er 8 of meer hebt, anders wordt dit hachelijk. In het bieden zoek je naar fits. Als je een fit vindt, ga je in troef spelen, in de kleur waarin je er 8 of meer hebt. Als er geen fit is, speel je zonder troef. Althans, dat zou je doen als er geen aspect in de puntentelling zat, dat de tactiek wat ingewikkelder maakt. De puntentelling van contract bridge bestaat sinds 1925 en is sindsdien op hoofdlijnen niet veranderd. De puntentelling bepaalt de wedstrijdtactiek en het biedsysteem, vanwege een paar essentiële elementen: de puntentelling Afhankelijk van de speelsoort wordt er een bepaald aantal punten toegekend per slag (waarbij pas te beginnen met de 7e slag punten toegekend worden). Bij klaveren en ruiten (de 'lage kleuren') is dit 20 punten. Bij harten en schoppen (de 'hoge kleuren') is dit 30 punten. Bij Sans Atout is de eerste slag 40 punten waard en elke opvolgende slag 30. de deelscorepremie De deelscorepremie wordt toegekend als een partnerschap een zgn. deelscorecontract biedt en maakt. De premie bedraagt 50 punten. Een deelscorecontract is elk contract dat lager dan een manche is (zie onder). de manchepremie Als een partnerschap een contract maakt waarvoor het (zonder deelscorepremie) minimaal 100 punten krijgt, krijgt het in plaats van de deelscorepremie een manchepremie toegekend. Deze bedraagt 300 of 500 punten, afhankelijk van de zgn. kwetsbaarheid (zie onder). In SA is voor de manche een contract op driehoogte nodig (3SA: 40+30+30=100 punten), waarvoor dus 9 slagen behaald moeten worden. In een hoge kleur is een contract op vierhoogte nodig (4x30=120 punten) en in een lage kleur een contract op vijfhoogte (5x20=100 punten). N.B.: De manchepremie wordt alleen toegekend, als een contract op de benodigde hoogte geboden is. Als een partnerschap 3S biedt en 10 slagen haalt, wordt deze premie dus niet toegekend. de slempremie Als een contract op 6-hoogte ('klein slem') of 7-hoogte ('groot slem') wordt geboden en gemaakt, wordt er een slempremie toegekend. Ook deze zijn hoger als een partnerschap kwetsbaar is (zie onder). downslagen Downslagen zijn slagen die een partnerschap te weinig haalt. Als bijvoorbeeld in een 4S-contract slechts 8 slagen behaald worden, is dit partnerschap 2 down. Downslagen kosten normaal gesproken 50 punten als de leider niet kwetsbaar is en 100 punten als de leider wel kwetsbaar is (voor kwetsbaarheid zie onder). Als het contract ge(re)doubleerd is kosten downslagen meer. overslagen Overslagen zijn slagen die een partnerschap meer haalt dan het heeft geboden. Als bijvoorbeeld in een 3S-contract 10 slagen behaald worden, heeft het partnerschap één overslag en is de score '3S +1'. Elke overslag levert de voor de speelsoort gebruikelijke punten op. Als het contract ge(re)doubleerd is echter meer. kwetsbaarheid Een partnerschap is kwetsbaar of niet kwetsbaar. Er zijn dus vier mogelijkheden: niemand kwetsbaar, NZ kwetsbaar, OW kwetsbaar of allen kwetsbaar. Als men kwetsbaar is zijn manche- en slempremies hoger, maar kosten downslagen ook meer. In een bepaalde variant, het robberbridge, wordt men kwetsbaar zodra eenmaal een manche gehaald is. Deze variant wordt echter nauwelijks meer gespeeld, en in moderne wedstrijdvormen is de kwetsbaarheid per spel aangegeven. doubleren en redoubleren Een contract dat door de tegenpartij geboden is, kan gedoubleerd worden. Resultaat hiervan is, dat de punten voor behaalde slagen verdubbeld worden. Ook downslagen leveren globaal het dubbele op. Eventuele overslagen zijn veel meer waard dan gebruikelijk. Manchepremies worden aan een gemaakt ge(re)doubleerd contract toegekend als het aantal geboden slagen na de verdubbeling (of verviervoudiging) minstens 100 bedraagt. Een gedoubleerd gemaakt 2H-contract levert dus een manchepremie op, aangezien er nu 60 punten per slag (totaal 120) worden toegekend in plaats van 30. De manchepremie wordt niet hoger dan normaal. plus- en minpunten Wat de ene partij plus scoort, krijgt de andere partij in de min, en vice versa. Verklarende woordenlijst
|
|